Wat is Kerk en Vrede?

Kerk en Vrede verenigt mensen die zich inzetten voor ontwapening en geweldloosheid. Zij gelooft dat het onterecht en onverantwoord is om te vertrouwen op geweld. Zij gelooft dat we ons kunnen en moeten wagen op de weg van de actieve geweldloosheid in dienst van de gerechtigheid. Analyse van conflicten en oorzaken vormt de basis voor projecten, campagnes en publicaties.

Archief » Europa in de wereld » Bijeenkomsten

bijeenkomsten die al gewezen zijn

  • 'Europa als vredestichter?'

     

    Op maandag 6 november 2006 organiseren Kerk en Vrede en NEAG Alternatieven voor Geweld een verkiezingsdebat over het thema ‘Europa als vredestichter?!’. Het debat vindt plaats van 20.00 - 22.00 uur in het Jacobitheater, St.Jacobsstraat 12, Utrecht. Het Jacobitheater is op loopafstand van het station.

    Deelnemers aan het debat zijn de Tweede Kamerleden Ormel (CDA), Huizinga (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks) en (onder voorbehoud) Fierens (PvdA). De discussie staat onder leiding van de journalist Jos van Beurden.

    De lidstaten van de Europese Unie hebben veel bevoegdheden overgedragen aan Brussel. Als het gaat om het buitenlands beleid, zijn het echter nog steeds de ministers van Buitenlandse Zaken die het voor het zeggen hebben. Dat leidt nogal eens tot verdeeldheid, zoals pijnlijk duidelijk werd bij de Amerikaanse inval in Irak.

    De EU wordt vaak aangeduid als vredesproject, met name omdat de Europese eenwording heeft bijgedragen aan de vrede in Europa zelf. Maar welke rol speelt de EU bij conflicten elders in de wereld: kunnen we ook spreken van een vredesproject als we kijken naar de rol van Europa in de wereld? En wat is in dat opzicht de bijdrage vanuit Nederland?

     

    Verslag van de verkiezingsdebat


    Het thema van het door het NEAG en Kerk en Vrede georganiseerde verkiezingsdebat is ‘Europa als vredestichter?!’. De Europese Unie wordt vaak aangeduid als vredesproject, maar hoe zou de EU hier vorm aan moeten geven? Welke rol zou de EU moeten spelen bij conflicten in de wereld. Wat zou de Nederlandse bijdrage hierbij moeten zijn? En hoe zit het dan met de delegatie van bevoegdheden? Deze en andere vragen zullen worden voorgelegd aan de drie sprekers van de avond: Tineke Huizinga (ChristenUnie), Farah Karimi (GroenLinks) en Henk Jan Ormel (CDA). Het debat zal bestaan uit drie rondes en in elk van die rondes zal een andere dimensie (respectievelijk economisch, militair en civiel) van het thema ‘Europa als vredestichter?’ worden besproken. Het aantal aanwezigen bij het debat is enigszins teleurstellend en de voorzitter van de avond, journalist Jos van Beurden, stelt dan ook voor om in plaat van een debat vooral een goed gesprek te houden. En hoewel dat zeker lukt, zal later die avond ook blijken dat debat onvermijdelijk is.

    De Europese Unie als vredesproject

    “Henk Jan Ormel,” begint Jos van Beurden, “jij zei onlangs dat we niet meer leven in de tijd van de Batavieren. Zouden we niet terug moeten naar die tijd in Europa? “. Nee, antwoordt Ormel resoluut. Hij geeft aan dat we inmiddels veel verder zijn. Hij is positief over Europa, noemt het een vredesproject, maar geeft tevens aan dat de EU zich in een stagnerende fase bevindt. “Wat Europees kan, doe dat Europees?” vraagt Jos van Beurden aan Tineke Huizinga. Haar antwoord is terughoudend: “we moeten eerst duidelijk krijgen wat we willen met Europa”, benadrukt ze. Farah Karimi wordt gevraagd naar het gehalte internationale solidariteit in Europa. “Solidariteit is het uitgangspunt van de EU en ik vind dat Europeanen daar trotser op mogen zijn.” antwoordt ze, maar ze voegt eraan toe dat ze ook van mening is dat Europa haar economische macht kan én moet gebruiken om vrede te bewerkstelligen.

     

    Economische macht, politieke macht?

     

    Arjan Vliegenthart, bestuurslid van Kerk en Vrede, leidt de eerste ronde in. Na de oorlog in Irak kreeg de Europese Unie veel kritiek. Op politiek gebied bleek de EU sterk verdeeld en zeker geen supermacht. Maar economisch gezien is de EU wél een supermacht: wat economische issues betreft spreekt de EU wél met één mond en ook levert de EU een bijzonder grote bijdrage aan ontwikkelingshulp. “Hoe zou Europa economische macht definiëren? Als eigen belang of gezamenlijk belang?” vraagt hij. “En hoe zou de EU dit moeten vertalen naar het Midden Oosten? Is er ruimte voor meer multilaterale benaderingen?”.

    Farah Karimi krijgt als eerste het woord. Ze stelt dat de EU wel degelijk een rol van belang kan spelen bij ontwikkelingssamenwerking en dat de EU in WTO verband veel meer tegemoet zou moeten komen aan de wensen van ontwikkelingslanden. Ze verwijst ook naar de schadelijke effecten van EU landbouwsubsidies op ontwikkelingslanden. Er wordt alleen geëist dat deze landen hun markten ook openstellen. “Maar de situatie is asymmetrisch en dat vereist ook asymmetrische toezeggingen.” Ze voegt eraan toe dat ze, ondanks dat ze natuurlijk ook kritiek heeft, trots is op de verworvenheden –stabiliteit, vrede, groei, welvaart- van 50 jaar Europese Unie.

    Henk Jan Ormel geeft toe dat de EU economische macht heeft, maar hij stelt vervolgens dat deze economische macht gecombineerd dient te worden met een buitenlandbeleid om ook daadwerkelijk effectief te zijn. Hij benadrukt de noodzaak van het opbouwen van dergelijke politieke macht om de economische macht te versterken. Hij vertelt hoe hij kort na het Nederlandse “Nee” bij het referendum over het de Europese Grondwet, tijdens een verblijf in Jericho, door een man werd aangesproken die hem vertelde “Europa neemt zijn verantwoordelijkheid niet. En we willen dat zó graag.” Wat betreft landbouwsubsidies stelt hij dat er vaak verkeerde redenaties worden gevoerd. “Uiteindelijk is landbouw een regionale activiteit en het is niet goed als grondstoffen lange afstanden afleggen. Bovendien hebben onze boeren het moeilijk.” De subsidies zullen uiteindelijk verdwijnen, zegt hij, maar dat moet geleidelijk gebeuren.

    Tineke Huizinga is het voor een groot gedeelte met de vorige spreker eens. Ook zij benadrukt de noodzaak van het combineren van economische en politieke macht. Tegelijkertijd geeft ze aan dat Europa teveel verdeeld is om een gezamenlijk buitenlandbeleid te kunnen voeren: “Europa zit niet op één lijn. Er is geen eenheid in Europa.” Wat betreft ontwikkelingslanden is ook zij van mening dat Nederland zich moet inzetten voor goede afspraken met ontwikkelingslanden. Er is sprake van een oneerlijke machtspositie van de EU en ontwikkelingslanden zouden dan ook de kans moeten krijgen hun zwakke markten te beschermen. Over landbouwsubsidies is ze het eens met haar collega van het CDA. Op termijn lijkt regionaal georganiseerde landbouw haar het beste, mede omdat er dan ook geen dumping meer zou plaatsvinden.

    Volgens Arjan Vliegenthart blijft de vraag welke impliciete politieke macht er achter de economische macht van de Europese Unie zit. Hij meent dat de scheiding tussen politiek en economie te gemakkelijk wordt gemaakt.

    Iemand in de zaal vraagt vervolgens of het idee van de vrije markt niet ter discussie gesteld zou moeten worden en of de EU zodoende geen tegenwicht zou kunnen bieden aan de WTO en dergelijke organisaties. Hij meent dat de vrije markt een verwoestende rol speelt en zelfs tot oorlog leidt. “Daar denk ik toch anders over” zegt Henk Jan Ormel. Volgens hem verkleint economische vervlechting juist de kans op oorlog. Staatsbemoeienis vindt hij ook geen ideaal model. “Maar geen enkel economisch model is het eindmodel. Ook het liberale model zal zijn weerslag krijgen.”

    Vervolgens komt de discussie weer op landbouwsubsidies. Om de discussie weer terug te brengen naar het onderwerp van deze ronde, vraagt Jos van Beurden de parlementariërs of zij vinden dat de EU haar economische macht ook als pressiemiddel naar Israël toe zou moeten inzetten. “Zou je zover moeten gaan?” “Natuurlijk” antwoordt Farah Karimi meteen. De EU staat voor bepaalde normen en waarden en dat betekent dan ook dat bepaalde instrumenten moeten worden ingezet om die waarden hoog te houden, meent ze. Henk Jan Ormel en Tineke Huizinga zijn geen voorstanders van eenzijdige economische sancties waarbij volgens hen vooral de bevolking wordt getroffen. “Dat is zo schijnheilig” vindt Farah Karimi. “Wie wordt geboycot? De Palestijnse bevolking. We waren het eerder eens over a symmetrisch handelen bij een asymmetrische uitgangssituatie, maar nu geldt dat principe ineens niet meer?”.

    Door Israël aan te snijden lijkt het ‘goede gesprek’ alsnog een fel debat te worden. De drie parlementariërs zijn het duidelijk niet eens over welke strategie de EU hier zou moeten voeren. “Hamas is niet bereid Israël te erkennen en te stoppen met terroristische aanslagen. Logisch dat daarmee niet te onderhandelen is” stelt Henk Jan Ormel. “Israël is een klein, democratisch landje, met een enorm Arabisch achterland. Dit is de moeder van de conflicten in het Midden Oosten en er moet dan ook een oplossing voor komen.” Die oplossing ziet hij vooral in samenwerking met het Kwartet, terugkeer naar de ‘Roadmap’ en vooral ook een grotere rol voor de EU en de VS. Jos van Beurden merkt op dat er een disbalans lijkt te bestaan tussen hoe politici en oud politici zich opstellen ten opzichte van het Midden Oosten. “Er is tevens een disbalans aan de andere kant” stelt Henk Jan Ormel. Hij verwijst naar landen als Iran en Syrië die Hezbollah steunen. “Wat een verschrikkelijk moeilijke situatie waarin Israel zich bevindt. Israel heeft het recht te bestaan.”

     

    Een reus op lemen voeten

     

    De tweede ronde wordt opnieuw ingeleid door Arjan Vliegenthart. Hoe moet Europa gestalte geven aan haar buitenlandbeleid, vraagt hij. Hij noemt Europa en ‘reus op lemen voeten’ en stelt de vraag hoe Europa slagvaardiger kan worden wanneer het gaat om het buitenlandbeleid. En een belangrijke vraag aan de sprekers is in dit verband ook wat de bereidheid is om bevoegdheden op te geven ten behoeve van de EU? Vervolgens vraagt Arjan Vliegenthart de parlementariërs of zij een voorbeeld kunnen noemen van een conflict waar de EU met een leger zou moeten ingrijpen. “Of zijn dergelijke conflicten niet aanwezig?”

    Volgens Tineke Huizinga zou er een gezamenlijk buitenlandbeleid moeten zijn. “Maar de EU zit niet op één lijn en dat zie ik ook niet gebeuren.” Maar wíllen we een Europees beleid, vraagt Arjan Vliegenthart. “Ik zie het niet gebeuren” herhaalt ze. Henk Jan Ormel is het daar niet mee eens. “Ik zie dit anders. Ik ben optimistischer. Kijk waar Europa nu staat.” Volgens hem komt Europa weer in versnelling. “En ik wacht met smart op dat moment. De EU moet geen reus op lemen voeten blijven.” Wat betreft een EU leger, haalt hij Machiavelli aan: Geen buitenland beleid zonder leger. De EU zou wat hem betreft één stem in de NAVO moeten hebben.

    “Er is sinds het ‘Nee’ op de Europese grondwet niets gebeurd. Ik wacht nog steeds” zegt Farah Karimi. “Wacht maar, Balkenende 4!” onderbreekt Henk Jan Ormel haar. “De Nederlandse regering heeft mede bijgedragen aan de verdeeldheid rond Irak door meteen achter Blair aan te lopen” gaat Farah Karimi verder. Maar dit blijkt een punt van twist. Volgens Henk Jan Ormel is dit “feitelijk onjuist”. Volgens hem is er vooraf overleg geweest en hij verwijst naar een gezamenlijke verklaring van een achttal landen.

    Terug naar het EU buitenlandbeleid doet Farah Karimi een drietal suggesties: 1) Meerderheidsbesluiten bij buitenlands beleid, 2) Eén EU minister van Buitenlandse Zaken, 3) Vergroting van de macht van het Europees Parlement. Ze voegt eraan toe dat ze vooral voorstander is van het inzetten van de EU bij conflictpreventie. Henk Jan Ormel is het eens met het punt van meerderheidsbesluiten. Volgens hem is dat onafwendbaar. Tineke Huizinga geeft opnieuw aan dat er eerst een inhoudelijk debat over Europa gevoerd dient te worden gevoerd.

    De machtsfactor blijft nog een beetje op de achtergrond in de discussie, stelt een iemand uit het publiek vast. Hij geeft aan geen voorstander te zijn van een EU leger. Hij wijst op het gevaar van geheime agenda’s van grootmachten en vindt bovendien er teveel wordt geloofd in de “militaire maakbaarheid”. “Mijn hart ligt bij Tineke, maar mijn verstand bij Farah” geeft hij toe. Volgens hem is essentieel te onderzoeken hoe de democratische structuur gewaarborg wordt bij de overdracht van bevoegdheden bij dergelijke zaken naar Europees niveau. Farah Karimi is het met zijn punt over het belang van sterke democratische controle eens. Ze noemt nogmaals het belang van het vergroten van de macht van het Europees Parlement. Henk Jan Ormel lijkt het minder met de spreker uit de zaal eens te zijn. Hij verklaart zich voorstander van een Europees buitenlands en defensiebeleid. Volgens hem is een leger juist nodig om de vrede te bewaren. “Nee, ontwapening” mompelt iemand in de zaal.

    Iemand in het publiek verwijst naar het falen van de NAVO op de Balkan. We moeten het militaire middel afschaffen, stelt hij. “In de Balkan móest ingegrepen worden” reageert Henk Jan Ormel. Volgens hem zou het door een gezamenlijk EU beleid mogelijk zijn conflicten als die op de Balkan te voorkomen. Veel mensen in de zaal zijn het hier niet mee eens. Ze menen dat in plaats van militair in te grijpen na escalatie van het conflict, de democratische krachten ondersteund hadden moeten worden. “Militaire interventies, ingrijpen en bombarderen werken niet. Er is vaak te weinig contact met de democratische krachten.” Maar is Europa wel voldoende bereid en toegerust om een effectieve rol te spelen bij dergelijke conflicten, vraagt de voorzitter. Volgens Farah Karimi zijn de mogelijkheden om van buitenaf conflicten te beslechten zeer beperkt. We moeten consequent zijn in waar we in Europa voorstaan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om mensenrechten, meent ze. Ze waarschuwt voor kortetermijnoplossingen. “Soms is het mogelijk door middel van militaire macht een conflict te bevriezen, maar dan moet er wél alsnog een politieke oplossing komen.”

     

    Een Europees civiel vredescorps?

     

    De derde ronde wordt ingeleid door Henk Branderhorst, bestuurslid van NEAG Alternatieven voor Geweld. Volgens hem heeft het vredesproject van de Europese Unie vaak gefaald conflicten in te dammen, te beperken en op te lossen. Opnieuw wordt de Balkan crisis aangehaald als voorbeeld hiervan. Als reactie daarop stelde de Europarlementariër Alexander Langer al in 1994 voor om te komen tot een Europees civiel vredescorps. Dit voorjaar verscheen hierover in opdracht van de Europese Commissie een haalbaarheidsstudie. Initiatieven op dit gebied bestaan al in onder andere Duitsland en het Verenigd Koninkrijk en zijn erg succesvol. De uitkomsten van de haalbaarheidsstudie waren dan ook positief, maar toch is er sindsdien niets meer over vernomen. Momenteel is er vooral aandacht voor de militaire kant van veiligheid, meent Henk Brandenhorst. Hij wil weten hoe de parlementariërs denken over een civiel EU-leger en of Nederland een positieve en robuuste rol zou kunnen spelen bij een dergelijk Europees vredescorps. “Wat weerhoudt de Nederlandse politiek ervan invulling en inhoud te geven aan het concept van vredeswerk?” vraagt hij zich af.

    Om iets concreter te krijgen wat burgervredeswerk precies inhoudt, vraag Jos van Beurden of er in de zaal mensen zitten die vredeswerk hebben gedaan. Drie mensen vertellen over hun –positieve- ervaringen als vredeswerker in Zuid-Afrika (KwaZulu-Natal), op de Balkan en in Canada. “Maar waarom zou er een Europese civiele macht moeten zijn? Waarom zou een dit op Europees niveau georganiseerd moeten worden?” vraagt Jos van Beurden. Iemand in de zaal noemt het belang van officiële backing, ook financieel gezien. Bovendien is het vaak goed als er deelnemers uit verschillende landen zijn. De meerwaarde hiervan bleek ook al uit de ervaringen van de (voormalige) vredeswerkers in de zaal. Daarnaast is het ook belangrijk niet onvoorbereid ergens heen te gaan, zegt een andere spreker in de zaal. Training is van groot belang en Duitsland wordt aangehaald als voorbeeld van een land waar dit, met steun van de overheid, erg goed is georganiseerd. Tevens benadrukt het publiek dat een vredescorps ook nadrukkelijk erkent en gebruikt moet worden als instrument van het buitenlandbeleid.

    Tineke Huizinga vertelt dat ze afgelopen zomer een boek las over een inspirerende jonge katholiek die in Italië een succesvolle vredesbeweging oprichtte. Ze vindt dit goede initiatieven, maar twijfelt aan het idee van een civiel EU-leger. Het lijkt haar goed dat vredeswerk nu juist los staat van de overheid. Het zou volgens haar niet door de EU geïncorporeerd moeten worden, maar wél door overheden ondersteund worden. Ze geeft echter toe dat ze niet erg bekend is met initiatieven als een vredescorps. “Dit is voor mij nieuw. Maar ik wil dit wel uitzoeken” zegt ze toe. Henk Jan Ormel is het met haar eens dat het contraproductief kan zijn dergelijke initiatieven in de overheid te incorporeren: “Anders krijg je meteen iets paternalistisch en de vraag naar geheime agenda’s.” Farah Karimi heeft zich al langer in dergelijke initiatieven verdiept en is er positief over. Zeker na Kosovo is ze er voorstander van meer te investeren in conflictpreventie.

    Iemand in de zaal is duidelijk gefrustreerd door het feit dat de discussie, en niet alleen deze avond, vaak op partij basis wordt gevoerd. “Ga gewoon toch eens samen aan de tafel zetten!” zegt ze. Jos van Beurden stelt voor een expertmeeting in de Tweede Kamer te organiseren, “ook om het onderwerp los te trekken van de partijen”. De parlementariërs geven aan geïnteresseerd te zijn in een dergelijke expertmeeting.

    Jos van Beurden geeft aan dat nog steeds de vraag blijft of initiatieven als een vredescorps op Europees dan wel nationaal niveau georganiseerd moeten worden. “In werkelijkheid is dat nog veelal nationaal” meent Henk Jan Ormel. Hier is iemand in het publiek het niet mee eens: “Het gebeurt momenteel al internationaal en Europees. Is een vredescorps haalbaar? Ja. De vraag is: ondersteunen jullie dat?” vraagt hij.

    De avond loopt op zijn einde: tijd voor een laatste vraag in de zaal, geeft de voorzitter aan. “Als de EU zegt zich in te willen zetten voor de vrede in de wereld gaat het dan om de vrede van de wereld of om vrede van de EU? Dat is een kernvraag” stelt iemand in de zaal. Hij voegt eraan toe dat hij zich afvraagt waarom de Nederlandse militaire aanwezigheid in Irak en nu in Afghanistan anders dan in de Verenigde Staten, hier in Nederland eigenlijk geen onderwerp bij de verkiezingen is. “Uruzgan had inderdaad meer onderwerp van de verkiezingen mogen zijn. Er is weinig aandacht voor het feit dat we nu oorlog aan het voeren zijn” beaamt Farah Karimi. “Het merendeel van de Nederlandse bevolking is meer geïnteresseerd in andere, sociaal economische, issues” concludeert Henk Jan Ormel. Wat betreft de eerste opmerking zegt hij dat er geen sprake kan zijn van een veilig Europa in een onveilige wereld. “Veiligheid ís een belangrijk onderwerp, net zoals een eerlijke verdeling van welvaart in bronnen. Laat ik het maar eens idealistisch zeggen als laatste spreker: de inzet moet zijn samenwerken aan een betere wereld” besluit Tineke Huizinga.

     

    Conclusie

     

    Ondanks de tegenvallende opkomst van geïnteresseerden, is de avond inhoudelijk zeer geslaagd. De drie parlementariërs en de zaal zijn met elkaar in debat, maar vooral ook in gesprek gegaan. Een flink aantal onderwerpen is de revue gepasseerd: van Europese landbouwsubsidies, economische sancties tegen Israël, het falen van de EU op de Balkan, tot een Europees civiel vredescorps. Het NEAG heeft de parlementariërs toegezegd de EU- haalbaarheidsstudie naar een dergelijk vredescorps toe te sturen. De Kamerleden hebben bovendien alle drie laten weten geïnteresseerd te zijn in een expertmeeting over dit onderwerp in de Tweede Kamer. Hoewel de meningen verschilden over hoe er in de toekomst vorm en inhoud aan zou moeten worden gegeven, waren de sprekers het erover eens dat de Europese Unie een vredesproject was, is en ook in de toekomst moet zijn.

    Renee Zandvliet